Van Franco naar democratie
Toen Juan Carlos I op 22 november 1975 tot koning werd uitgeroepen, was Spanje nog geen democratie. De instellingen van Franco stonden nog overeind. De politieke oppositie had nauwelijks ruimte en veel belangrijke functies werden nog bezet door mensen uit het oude regime.
Toch zou juist deze koning, die door Franco zelf was aangewezen, een belangrijke rol spelen bij de overgang naar een democratisch Spanje.
Juan Carlos moet een keuze maken
De nieuwe koning stond voor een lastige opdracht. Hij kon proberen het systeem van Franco grotendeels in stand te houden. Daarmee zou hij waarschijnlijk steun krijgen van de conservatieve krachten binnen het regime.
Een andere mogelijkheid was politieke hervorming. Dat betekende echter dat hij zich zou moeten bewegen tussen de aanhangers van Franco, de democratische oppositie en een leger dat niet stond te springen om grote veranderingen.
Juan Carlos koos uiteindelijk voor hervorming. Dat gebeurde niet met één grote breuk. De overgang zou stap voor stap verlopen en kreeg later de naam Transición.
Arias Navarro blijft nog even

Na de dood van Franco bleef Carlos Arias Navarro premier. Hij was al sinds 1973 regeringsleider en had onder Franco een belangrijke positie bekleed. Arias Navarro kondigde hervormingen aan, maar die gingen volgens veel Spanjaarden niet ver genoeg.
Op straat groeide de druk. Arbeiders staakten, studenten demonstreerden en politieke bewegingen eisten meer vrijheid. Ook binnen het politieke systeem ontstond verdeeldheid. Juan Carlos zag dat een beperkte aanpassing van het Francoïsme waarschijnlijk niet voldoende zou zijn. In juli 1976 maakte hij daarom een belangrijke keuze: Arias Navarro vertrok.
Adolfo Suárez komt in beeld

Op 3 juli 1976 benoemde Juan Carlos Adolfo Suárez tot voorzitter van de regering. Voor veel mensen was die keuze niet direct logisch. Suárez kwam namelijk zelf uit het Francoïstische systeem. Hij was eerder onder meer secretaris-generaal van de Movimiento Nacional geweest.
Toch bleek juist dat verleden een voordeel. Suárez kende de mensen en instellingen van het oude regime. Tegelijkertijd zag hij dat Spanje een politieke verandering nodig had. De koning en zijn nieuwe premier gingen samenwerken aan een plan dat eigenlijk behoorlijk gewaagd was.
Ze wilden het systeem niet simpelweg omverwerpen. Ze wilden het van binnenuit veranderen.
De opmerkelijke route naar democratie
Dat klinkt misschien ingewikkeld, maar het was juist een slimme strategie. De bestaande Francoïstische instellingen moesten eerst zelf instemmen met een hervorming die uiteindelijk een einde zou maken aan hun eigen politieke macht.
Daarvoor was de Ley para la Reforma Política nodig: de Wet op de Politieke Hervorming. Het wetsvoorstel werd in november 1976 door de Francoïstische Cortes goedgekeurd. Op 15 december 1976 mochten de Spanjaarden zich er in een referendum over uitspreken.
Meer dan 94 procent van de uitgebrachte stemmen was vóór de hervorming. De wet maakte de weg vrij voor een parlement dat door middel van algemeen kiesrecht zou worden gekozen. Het oude systeem had daarmee eigenlijk ingestemd met de eerste stap naar zijn eigen einde.
De eerste vrije verkiezingen

De volgende grote stap kwam in juni 1977. Op 15 juni 1977 gingen de Spanjaarden naar de stembus voor de eerste democratische verkiezingen sinds de Burgeroorlog. De opkomst lag rond de 79 procent. Voor veel Spanjaarden was het een historisch moment.
Politieke partijen konden weer deelnemen aan het openbare leven. Mensen konden stemmen op partijen die jarenlang verboden of onderdrukt waren geweest. Ook de Spaanse Communistische Partij mocht uiteindelijk meedoen aan de verkiezingen. Dat besluit was bijzonder gevoelig binnen het leger en onder de voormalige Franco-aanhangers. Toch zette Suárez door.
Juan Carlos bleef ondertussen de rol spelen die hij als koning had gekozen: niet zelf regeren, maar ruimte creëren voor een nieuw politiek systeem.
De herinnering aan de Burgeroorlog
Achter de politieke veranderingen lag een enorme historische angst. Veel Spanjaarden hadden de Burgeroorlog meegemaakt of waren opgegroeid met de gevolgen ervan. Families waren verdeeld geraakt en politieke tegenstellingen waren diepgeworteld. Een nieuwe machtsstrijd kon daarom grote gevolgen hebben.
De leiders van verschillende politieke kampen beseften dat een nieuwe confrontatie moest worden voorkomen. Er ontstond een politiek klimaat waarin overleg, compromissen en samenwerking belangrijker werden dan het volledig afrekenen met de tegenstander. Dat betekende ook dat niet iedereen kreeg wat hij wilde.
Voor sommige tegenstanders van Franco gingen de veranderingen te langzaam. Voor voormalige Franco-aanhangers gingen ze juist veel te snel.
Een nieuwe grondwet

Na de verkiezingen van 1977 begonnen de nieuwe Cortes aan een nog grotere opdracht: het schrijven van een nieuwe grondwet. Daarbij waren verschillende politieke stromingen betrokken. Socialisten, communisten, christendemocraten, conservatieven en vertegenwoordigers van regionale bewegingen moesten samen tot een tekst komen die voor een groot deel van Spanje aanvaardbaar was.
Het resultaat was de Spaanse Grondwet van 1978. Op 6 december 1978 werd de tekst in een referendum aan de bevolking voorgelegd en goedgekeurd. De grondwet maakte van Spanje een parlementaire monarchie en legde de basis voor de democratische rechtsstaat.
Juan Carlos bleef koning. Zijn positie was echter fundamenteel veranderd. Hij was niet langer de opvolger die Franco binnen diens systeem had aangewezen. Hij was nu het staatshoofd van een parlementaire democratie.
Franco’s opvolger wordt een symbool van verandering
Daar zit misschien wel de grootste historische tegenstelling van Juan Carlos I. Franco had hem gekozen omdat hij dacht dat de monarchie zijn politieke nalatenschap zou beschermen. Juan Carlos koos uiteindelijk voor een andere richting.
Hij liet de monarchie onderdeel worden van een democratisch systeem en gaf politieke partijen en parlementaire instellingen weer een centrale plaats. Daarmee werd hij voor veel Spanjaarden een belangrijk symbool van de Transición. Maar de overgang was nog lang niet voltooid.
De economische problemen waren groot. Politiek geweld en terrorisme bleven bestaan. Binnen het leger groeide de onvrede over de veranderingen. En een deel van de oude machtsstructuur wilde helemaal geen democratisch Spanje. In 1981 zou die spanning tot een dramatisch hoogtepunt komen.
23 februari 1981
Op 23 februari 1981 drongen gewapende militairen het Spaanse parlement binnen. De democratie die nog maar enkele jaren oud was, kwam plotseling ernstig onder druk te staan. Wat gebeurde er precies in het parlement? Wie zat achter de staatsgreep?
En vooral: wat deed Juan Carlos I toen het erop leek dat Spanje opnieuw richting een militair bewind kon gaan?
Binnenkort in deel 3: de nacht waarin de Spaanse democratie aan een zijden draadje hing. Lees de eerdere edities hier.


















